1. Zij zullen hem niet temmen, de fiere Vlaamse Leeuw, Al dreigen zij zijn vrijheid met kluisters en geschreeuw. Zij zullen hem niet temmen, zolang een Vlaming leeft, Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft. Zij zullen hem niet temmen, zolang een Vlaming leeft, Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft. Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft.
2. De tijd verslindt de steden, geen tronen blijven staan: De legerbenden sneven, een volk zal nooit vergaan. De vijand trekt te velde, omringd van doodsgevaar. Wij lachen met zijn woede, de Vlaamse Leeuw is daar Zij zullen hem niet temmen, zolang een Vlaming leeft, Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft. Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft.
6. Mijn schilt ende betrouwen Sijt ghy, o Godt mijn Heer, Op u soo wil ick bouwen, Verlaet mij nimmermeer; Dat ick doch vroom mach blijven. U dienaer taller stondt, Die tyranny verdrijven, Die my mijn hert doorwondt.
1. Uit die blou van onse hemel, uit die diepte van ons see, Oor ons ewige gebergtes, waar die kranse antwoord gee, Deur ons vér verlate vlaktes met ie kreun van ossewa -- Ruis die stem van ons geliefde, van ons land Suid-Afrika. Ons sal antwoord op jou roepstem, ons sal offer wat jy vra: Ons sal lewe, ons sal sterwe -- ons vir jou, Suid-Afrika!
Heer, laat het prinsenvolk der oude Nederlanden, niet ondergaan in haat, in broedertwist en schande. Maak dat uit d'oude bron nieuw leven nogmaals vloeit. Schenk ons de taaie kracht, om fier vol vroom vertrouwen, met nooit gebroken moed ons land herop te bouwen. Tot statig als een eik voor U ons volk herbloeit !